Een enkele zin in de Medicinale Cannabiswet draagt de consumptieverbodszones over op patiënten die hun medicijn inhaleren. Boven deze zin staat „Bescherming van kinderen en jongeren in de openbare ruimte“. We hebben de verwezen reeks uit elkaar genomen, en daarbij klopt veel niet.
📑 Inhaltsverzeichnis
- Een zin die naar een ander wettekst verwijst
- De titel verwijst naar een lid dat helemaal niet van toepassing is
- Beslissend is de toedieningsvorm, niet de werkstof
- Een verbod dat niet met een boete kan worden afgedwongen
- De andere kant van het argument
- Wat betrokkenen ervan kunnen meenemen
- 💬 Fragen? Frag den Hanf-Buddy!
Paragraaf 5 van de Consumptiecannabis-wet wordt veel besproken. De verbodszones voor openbaar gebruik, de zichtlijnregel, de voetgangerszones. Onlangs heeft zelfs de evaluatie van de wet daar onderdelen van ter discussie gesteld, waarover we hebben gerapporteerd in het artikel over het consumptieverbod in de teeltvereeniging.
Nauwelijks besproken wordt dat dezelfde zones ook van toepassing zijn op mensen aan wie cannabis als geneesmiddel is voorgeschreven. Dit is geregeld in paragraaf 24 van de Medicinale Cannabiswet. Roman Quadflieg heeft ons hierop gewezen – sinds 2018 cannabispatiënt, juridisch geschoold en naar eigen zeggen indiener van een constitutionele klacht tegen de bepaling, die het Bondsgerechtshof niet in behandeling heeft genomen. We hebben de bepalingen vervolgens in de officiële wettekst nageslaan en zijn daarbij op een advies van de Wetenschappelijke Dienst van de Bondsdag gestuit, dat de doorslaggevende vraag al heeft beantwoord.
Een zin die naar een ander wettekst verwijst

Paragraaf 24 MedCanG bestaat uit een enkele zin. Deze luidt volledig:
„§ 5 Absatz 2 des Konsumcannabisgesetzes gilt entsprechend für den öffentlichen Konsum von Cannabis zu medizinischen Zwecken mittels Inhalation.“
§ 24 MedCanG
Boven deze zin staat als officiële titel „Bescherming van kinderen en jongeren in de openbare ruimte“. Wat de bepaling teweegbrengt, wordt pas duidelijk wanneer je de verwijzing volgt.
Paragraaf 5 lid 2 KCanG verbiedt openbaar gebruik op zes plaatsen: in scholen, op speelplaatsen voor kinderen, in kinderdagopvang- en jongerenopvangvoorzieningen en in openbaar toegankelijke sportvelden, elk ook binnen hun gezichtslijn, daarnaast in voetgangerszones tussen 7 en 20 uur, alsmede binnen de omsloten eigendom van teeltverenigingen en binnen hun gezichtslijn. Gezichtslijn is wettelijk gedefinieerd: deze is niet langer aanwezig op een afstand van meer dan 100 meter van de ingangsgebied van het betreffende terrein.
Voor patiënten geldt dit op dezelfde manier, voor zover zij inhaleren. De tekst bevat geen uitzondering voor hen, geen hardheidsclausule en geen afweging met medische noodzakelijkheid.
De titel verwijst naar een lid dat helemaal niet van toepassing is
Dit wordt opvallend, en dit punt viel ons pas op bij nader lezen.
Paragraaf 5 KCanG heeft drie leden. Lid 1 verbiedt gebruik in de directe aanwezigheid van personen onder de 18 jaar. Dit is de bepaling die minderjarigen rechtstreeks beschermt, onafhankelijk van waar je je bevindt. Lid 2 bevat de plaatslijst. Lid 3 betreft militaire terreinen van de Bundeswehr.
Paragraaf 24 MedCanG verwijst uitsluitend naar lid 2. Het lid dat de rechtstreekse bescherming van minderjarigen regelt, wordt voor patiënten niet in aanmerking genomen.
Aldus draagt een bepaling de titel „Bescherming van kinderen en jongeren in de openbare ruimte“ en laat juist dát lid achterwege dat kinderen rechtstreeks beschermt. Alleen de plaatsregeling wordt overgenomen. Of dit een wetgevingsversie is of opzet, kan van buitenaf niet worden beoordeeld. Vast te stellen is dat de titel niet aansluit bij de regelingstekst. Wie de titel leest en daaruit concludeert dat het gaat om omgang met minderjarigen, zit ernaast.
Beslissend is de toedieningsvorm, niet de werkstof

Het tweede punt betreft de reikwijdte. De bepaling geldt uitdrukkelijk alleen voor gebruik „mittels Inhalation“, dus voor verdampen en roken.
Wie dezelfde stof als olie, druppels of capsules inneemt, valt niet onder paragraaf 24 MedCanG en mag deze overal innemen, ook op de speelplaats en in de voetgangerszone. Over de toelaatbaarheid beslist dus niet de werkstof en niet de ziekte, maar de vorm van inname.
Dit heeft praktische gevolgen, omdat beide vormen therapeutisch niet uitwisselbaar zijn. Inhalatie werkt binnen minuten, orale inname pas na veel langere tijd en met ander verloop. Vooral bij pijnpieken en spasticiteit is het snelle werkingsinzet de reden voor voorschrijving. Op dit verschil wijzen ook de vakbonden in het debat over vergoeding, waarover we hebben gerapporteerd in het artikel over cannabistherapieën zonder vervolgoplossing. Of iemand onder de regel valt, hangt dus af van welke toedieningsvorm medisch aangegeven is.
Een verbod dat niet met een boete kan worden afgedwongen

Bij bezien van de rechtsgevolgen wordt het verhelderend, en hier ligt de vaststelling die in het openbare debat praktisch niet voorkomt.
Bij consumptiecannabis is de zaak duidelijk: paragraaf 36 KCanG maakt het een ordningsmaatregel wanneer iemand in strijd met paragraaf 5 lid 2 zin 1 cannabis gebruikt. Voor medicinale cannabis is de situatie moeilijker te grijpen.
- De boepeningsbepaling van de Medicinale Cannabiswet noemt paragraaf 24 niet. Paragraaf 27 MedCanG somt tien straffeiten op, van hoeveelheden tot meldingsplichten tot registratie. Openbaar gebruik staat daar niet tussen.
- De boepeningsbepaling van de Consumptiecannabis-wet spreekt van „cannabis“. Paragraaf 1 nummer 8 letter a KCanG sluit cannabis voor medische doeleinden echter uitdrukkelijk uit van het cannabisconcepte van deze wet.
Precies deze vraag heeft de Wetenschappelijke Dienst van de Bondsdag in mei 2025 onderzocht, in het advies WD 8-3000-032/25. Het resultaat is duidelijk: de overtreding is „weder in § 27 MedCanG, der die Bußgeldvorschriften für das MedCanG aufführt, als Ordnungswidrigkeit aufgenommen worden, noch wird § 36 Abs. 1 Nr. 4 KCanG für entsprechend anwendbar erklärt“. En verder: „Damit liegt kein Bußgeldtatbestand i. S. d. MedCanG vor.“
Ook de voor de hand liggende uitweg sluit het advies af. Het idee om de hiaat door analoge toepassing van de boepeningsbepaling van de Consumptiecannabis-wet te dichten, faalt al aan de wetgevingssystematiek, omdat beide wetten eigen ordningsvrechtelijke bepalingen regelen. In de wetgevingsliteratuur wordt dit als onbedoelde regelingsleemte geclassificeerd. De strafrechtsgeleerde Erik Kraatz stelt in het Tijdschrift voor Medische Strafrecht dat een overtreding in afwezigheid van een verwijzing naar de boepeningsbepaling „verrassenderwijs“ niet strafbaar is.
Aldus staat in de wet een verbod waarvan de overtreding niet met een geldboete wordt beteugeld. Dit is geen juridische nitpickery, maar heeft een praktische keerzijde, waarop Quadflieg ons wijst: zonder boetebeschikking is er ook geen beschikking waartegen kan worden beroep. De gebruikelijke juridische weg, waardoor betrokkenen een bepaling gerechtelijk kunnen toetsen, staat aldus niet open.
Wie daaruit concludeert dat het verbod zonder gevolgen is, zit naast de waarheid. Ook de Wetenschappelijke Dienst stelt vast dat het consumptieverbod via politie- en ordeningsrecht kan worden afgedwongen, en noemt daarbij uitdrukkelijk de platsverwijs. Een verbod blijft een verbod, en de inname kan op dat moment worden voorkomen. Alleen niet met daaropvolgende boetebeschikking.
De andere kant van het argument
Ter volledigheid: waarom de wetgever überhaupt zo zou zijn te werk gegaan.
De wetgever heeft zijn motivering in de memorie van toelichting op de cannabiswet zelf geformuleerd. Daar staat dat in het belang van bescherming van kinderen en jongeren consumptieprikkels zoveel mogelijk moeten worden vermeden, en dat geldt ook voor inhalatie van medicinale cannabis, „da hierbei in der Außenwirkung auf Kinder und Jugendliche nicht vom Konsum von Cannabis zu nichtmedizinischen Zwecken unterschieden werden kann“. De grondslag van de motivering is dus een verwisselingsvaar.
Dit is begrijpelijk, want een patiëntenuitzondering zou bewijs hebben vereist, bijvoorbeeld een medegebrachte kaart, en deze constructie heeft eigen nadelen, van openbaarmaking van diagnose tot de vraag wat geldt bij ontbreken van bewijs. Hoe lastig dat is, hebben we beschreven in het artikel over de cannabispatiëntenkaart.
In de wetgevingsliteratuur wordt de motivering echter betwist, en wel aan haar empirische grondslag. De rechtsgeleerden Mustafa Temmuz Oğlakcıoğlu en Patrick Welke betwijfelen de verwisselingsvaar, omdat niet-medische eigengebruik normaliter juist niet met een inhalatietoestel plaatsvindt. Wie een verdamper gebruikt, is aldus eerder als patiënt herkenbaar dan als recreatieve gebruiker. Dezelfde auteurs voeren de vergelijking aan die het debat op het essentiële punt brengt: medisch geïndiceerde inname moet in principe onafhankelijk van plaats mogelijk zijn, net als pijntabletjes of een insulinespuit.
Dit is een verklaring, geen rechtvaardiging. Andere rechtsterreinen lossen vergelijkbare conflicten door beoordeling in het geval op zich in plaats van door pauschale plaatsverboden. En de vergelijking met het wegverkeer toont aan dat het anders kan: daar kent de wet met het medicijnprivilege een uitdrukkelijke uitzondering voor medisch voorgeschreven inname, zoals we hebben beschreven in het artikel over waaraan het medicijnprivilege werkelijk faalt. In de openbare ruimte ontbreekt zo een bepaling.
Wat betrokkenen ervan kunnen meenemen
Zolang de bepaling van kracht blijft, zijn het vooral drie praktische punten.
- De verbodszones zijn beperkt en duidelijk gedefinieerd. Ze betreffen zes soorten plaatsen, niet de openbare ruimte als geheel. De gezichtslijn eindigt volgens de wettekst op meer dan 100 meter van het ingangsgebied van de betreffende voorziening. Hoe ingangsgebied en gezichtslijn in het geval op zich moeten worden bepaald, is echter omstreden.
- De voetgangerszoneregeling is tijdelijk beperkt. Deze geldt tussen 7 en 20 uur, daarbuiten niet.
- De toedieningsvorm is beslissend. Wie regelmatig onderweg afhankelijk is van snelle werking, zou dit moeten bespreken met de behandelende praktijk, ook met het oog op de vraag welke vorm wordt voorgeschreven.
Politiek blijft de vraag open of een bepaling zinvol is die een therapie plaats-afhankelijk onderbreekt, zonder het geval te regelen dat iemand de zone niet zonder meer kan verlaten. De lopende evaluatie van de Consumptiecannabis-wet stelt reeds onderdelen van paragraaf 5 ter discussie. Of de verwijzing in paragraaf 24 MedCanG daarbij ook onder review gaat, is tot dusver niet duidelijk. We volgen dit onderwerp nauw.
Opmerking: Dit artikel weerspiegelt de toestand van 10 september 2026 en is geen juridisch of gezondheidsadvies. Het vervangt geen medisch advies. De uiteenzettingen over ontbrekende boepenning geven de toestand van de Wetenschappelijke Dienst van de Bondsdag en de daar aangehaalde vakliteratuur weer; deze zijn geen juridische mededelingen, en voor het geval zelf is advies van een advocaat vereist. Mededelingen over de constitutionele klacht berusten op de uiteenzetting van de indiener; het besluit is niet gepubliceerd. Over keuze en toedieningsvorm van een geneesmiddel beslist de behandelende arts; lopende therapieën mogen niet zonder toestemming worden gewijzigd.
Sollten Cannabispatienten überall inhalieren dürfen, wo es medizinisch nötig ist?
Bronnen: Wetenschappelijke Diensten van de Bondsdag, Advies „Zum Kinder- und Jugendschutz im öffentlichen Raum bei der Einnahme von Medizinalcannabis“, WD 8-3000-032/25 van 23 mei 2025; Wetsvoorstel cannabiswet, Bondsdag-document 20/8704 van 9 oktober 2023, pagina 147; Erik Kraatz in het Tijdschrift voor Medische Strafrecht 2024 en Mustafa Temmuz Oğlakcıoğlu en Patrick Welke in het Criminologische Politieke Tijdschrift 2024, beide aangehaald naar het genoemde advies; Medicinale Cannabiswet, paragrafen 24 en 27; Consumptiecannabis-wet, paragrafen 1, 5 en 36, elk in de wettekst volgens gesetze-im-internet.de raadgepleegd op 10 september 2026; aanwijzing en aanvullende gegevens van Roman Quadflieg; eigen verslaglegging.







































