Vraag 7: De zin die duizendmaal heeft bewezen
Als u cliënten één zin meegaf die in het advies duizendmaal heeft bewezen, hoe luidt die?
Olivia: Cannabisrecht is een sterk politiek rechtsgebied. Wie in deze markt voet wil vatten, zich daar wil handhaven of zijn rechten effectief wil doorvoeren, moet deze politieke dimensie zonder fail in de strategie van zijn zaak betrekken.
Opmerking: Het interview is schriftelijk gevoerd. Antwoorden zijn voor leesbaarheid en spellingszekerheid licht geredigeerd zonder inhoudelijk veranderd te zijn. Een vraag over rechtspraktijk in sociale zekerheid bij cannabispatiënten heeft Olivia Ewenike niet beantwoord omdat deze buiten haar adviesdomain valt. Verder: kanzlei-ewenike.de.
Vraag 5: Kennishiaten bij jonge cannabisadvocaten
U hebt in het verleden een Cannabis-Law-Academy geleid. Waar zijn de grootste kennishiaten bij jonge advocaten die vandaag cannabisrecht ingaan?
Olivia: Waar jonge advocaten de grootste kennishiaten hebben in cannabisrecht, is minder een kwestie van ontbrekende dogmatische basiskennis dan van ontbrekende praktische betrokkenheid. Want weinig stappen in met uitsluitende focus op cannabisrecht. En zoals in veel andere juridische terreinen geldt ook hier dat men basiskennis kan nalezen, maar in de cannabisindustrie heeft deze louter theoretische kennis bijzonder smalle grenzen.
Cannabisrecht is grotendeels nog jong en sterk gepräagd door administratieve en gerechtelijke praktijk. Veel cruciale vragen zijn nog niet definitief opgelost, maar bevinden zich midden in procedures of worden pas door de concrete administratieve uitvoering vormgegeven. Dienovereenkomstig is er tot nu toe slechts een relatief beperkt bestand aan gefundeerde literatuur en betrouwbare rechtspraak waaruit werkelijk draagkrachtige gespecialiseerde kennis puur academisch kon worden afgeleid.
Precies daarin verschilt cannabisrecht van klassieke materies die over decennia zijn gedifferentieerd. In het strafrecht kan men zich bijvoorbeeld vanwege de enorme dogmatische diepte en de uitgebouwde rechtspraaklijnen tot in afzonderlijke subcategorieën toe specialiseren. In het cannabisrecht ontstaat de cruciale kennis daarentegen veelal niet eerst achter het bureau, maar in de procedure zelf, dus in contact met overheden, in licentieprocessen, in bezwaar- en gerechtsvorderingen en in contractgestaltung.
Vraag 6: Een regelgevingshendel
Welke regelgevingsverandering zou u in 2026 prioriteren als u één zaak kon bepalen?
Olivia: In de recreatieve cannabismarkt zou ik aanvankelijk geen verdere wettelijke bijstellingen prioriteren, maar een systematische verandering van de overheidsbestuurspraktijk. Op deelstaatniveau is vooral meer juridisch gekwalificeerd personeel in de toestemmingsbeheerders nodig. Ik ben ervan overtuigd dat een aanzienlijk deel van de huidige procedurevertragingen en ook veel van de eisen die door overheden worden gesteld, zou vervallen als aanvragen vaker door juristen werden behandeld.
Want momenteel gaat het niet om de uitvoering van een sinds decennia gedifferentieerd juridisch terrein, maar om de toepassing en uitleg van een nieuwe wet. Daarvoor is juridische methodische competentie nodig. Zodra zich na enkele jaren een gefundeerde overheidsbestuurspraktijk heeft uitgekristalliseerd, mag het mogelijk zijn in grotere mate terug te grijpen op personeel zonder origineel juridische achtergrond. Op dit moment acht ik dat echter ondeugdelijk. Dat de uitleg van een nieuwe regelgeving deels naar het juridische begrip van niet-juristen geschiedt, vind ik vanuit rechtsstaatogie gezichtspunt schokkend.
In het medische gebied zou ik een verplichte videoconsultatie toejuichen. Een verplicht persoonlijk artsgesprek, zoals voorzien in het concept van een Eerste Wet ter wijziging van de Medische-Cannabiswet (BT-Drs. 21/3061), beschouw ik echter als een door symbolische politiek gemotiveerde voorwendsel, die de gezondheid van patiënten inhoudelijk niet werkelijk dient. Het voorschrijven van medische cannabis vereist in de regel geen lichamelijk onderzoek. En zelfs als het in individuele gevallen medisch geïndiceerd zou zijn, is dat een beslissing van de behandelende arts. Ik begrijp daarom niet waarom een verplichte videoconsultatie ontoereikend zou zijn om de belangen van patiënten terecht te doen.
Vraag 7: De zin die duizendmaal heeft bewezen
Als u cliënten één zin meegaf die in het advies duizendmaal heeft bewezen, hoe luidt die?
Olivia: Cannabisrecht is een sterk politiek rechtsgebied. Wie in deze markt voet wil vatten, zich daar wil handhaven of zijn rechten effectief wil doorvoeren, moet deze politieke dimensie zonder fail in de strategie van zijn zaak betrekken.
Opmerking: Het interview is schriftelijk gevoerd. Antwoorden zijn voor leesbaarheid en spellingszekerheid licht geredigeerd zonder inhoudelijk veranderd te zijn. Een vraag over rechtspraktijk in sociale zekerheid bij cannabispatiënten heeft Olivia Ewenike niet beantwoord omdat deze buiten haar adviesdomain valt. Verder: kanzlei-ewenike.de.
Vraag 4: Advertentierecht en HWG-corridor
Advertentierecht voor cannabis is in Duitsland restrictief. Hoe navigeren bedrijven tussen voorlichting en HWG-verbod, welke inbreuken ziet u het meest?
Olivia: In het medische gebied proberen de meeste marktdeelnemers aanvankelijk inderdaad aan de bepalingen van de Geneesmiddelwet te voldoen. Er is echter waarneembaar dat de rechtspraak op dit terrein steeds restrictiever wordt.
In het geval van telemedicijn-bedrijven ontstaat de indruk dat rechtbanken via het advertentierecht, via de achterdeur, telemedicijn-platformmodellen voor cannabis verbieden. Dit is juridisch geen bijzonder nauwkeurig instrument. Want veel inbreuken op de Geneesmiddelwet vormen aanvankelijk slechts overtredigingen. Tegelijkertijd volstaat in de praktijk vaak al een relatief kleine taalkundige of vormgeving aanpassing in de externe presentatie om jarenlang opnieuw gerechtelijke geschillen te voeren voordat een betrouwbare uitspraak eruitkomt.
In de recreatieve cannabissector is de situatie aanzienlijk scherper. Want teeltverenigingen dreigt in geval van twijfel de intrekking van toestemming, soms al bij kleinere overtredingen. Het advertentieverbod wordt door overheden restrictief uitgelegd. In de praktijk ervaar ik telkens dat teeltverenigingen niet eens een social-media-aanwezigheid wordt toegestaan. Naar mijn mening gaat deze benadering aan het werkelijke regelgevingsdoel voorbij. Als de wetgever een op preventie gebaseerde cannabisbeleid serieus neemt, kan het niet gaan om cannabis communicatief volledig taboe te maken. Wat van belang zou zijn, is het normaliseren van verantwoord gebruik. Wie alle zakelijke zichtbaarheid afsluit, zorgt niet voor preventie, maar bemoeilijkt de toegang tot legale kanalen.
Vraag 5: Kennishiaten bij jonge cannabisadvocaten
U hebt in het verleden een Cannabis-Law-Academy geleid. Waar zijn de grootste kennishiaten bij jonge advocaten die vandaag cannabisrecht ingaan?
Olivia: Waar jonge advocaten de grootste kennishiaten hebben in cannabisrecht, is minder een kwestie van ontbrekende dogmatische basiskennis dan van ontbrekende praktische betrokkenheid. Want weinig stappen in met uitsluitende focus op cannabisrecht. En zoals in veel andere juridische terreinen geldt ook hier dat men basiskennis kan nalezen, maar in de cannabisindustrie heeft deze louter theoretische kennis bijzonder smalle grenzen.
Cannabisrecht is grotendeels nog jong en sterk gepräagd door administratieve en gerechtelijke praktijk. Veel cruciale vragen zijn nog niet definitief opgelost, maar bevinden zich midden in procedures of worden pas door de concrete administratieve uitvoering vormgegeven. Dienovereenkomstig is er tot nu toe slechts een relatief beperkt bestand aan gefundeerde literatuur en betrouwbare rechtspraak waaruit werkelijk draagkrachtige gespecialiseerde kennis puur academisch kon worden afgeleid.
Precies daarin verschilt cannabisrecht van klassieke materies die over decennia zijn gedifferentieerd. In het strafrecht kan men zich bijvoorbeeld vanwege de enorme dogmatische diepte en de uitgebouwde rechtspraaklijnen tot in afzonderlijke subcategorieën toe specialiseren. In het cannabisrecht ontstaat de cruciale kennis daarentegen veelal niet eerst achter het bureau, maar in de procedure zelf, dus in contact met overheden, in licentieprocessen, in bezwaar- en gerechtsvorderingen en in contractgestaltung.
Vraag 6: Een regelgevingshendel
Welke regelgevingsverandering zou u in 2026 prioriteren als u één zaak kon bepalen?
Olivia: In de recreatieve cannabismarkt zou ik aanvankelijk geen verdere wettelijke bijstellingen prioriteren, maar een systematische verandering van de overheidsbestuurspraktijk. Op deelstaatniveau is vooral meer juridisch gekwalificeerd personeel in de toestemmingsbeheerders nodig. Ik ben ervan overtuigd dat een aanzienlijk deel van de huidige procedurevertragingen en ook veel van de eisen die door overheden worden gesteld, zou vervallen als aanvragen vaker door juristen werden behandeld.
Want momenteel gaat het niet om de uitvoering van een sinds decennia gedifferentieerd juridisch terrein, maar om de toepassing en uitleg van een nieuwe wet. Daarvoor is juridische methodische competentie nodig. Zodra zich na enkele jaren een gefundeerde overheidsbestuurspraktijk heeft uitgekristalliseerd, mag het mogelijk zijn in grotere mate terug te grijpen op personeel zonder origineel juridische achtergrond. Op dit moment acht ik dat echter ondeugdelijk. Dat de uitleg van een nieuwe regelgeving deels naar het juridische begrip van niet-juristen geschiedt, vind ik vanuit rechtsstaatogie gezichtspunt schokkend.
In het medische gebied zou ik een verplichte videoconsultatie toejuichen. Een verplicht persoonlijk artsgesprek, zoals voorzien in het concept van een Eerste Wet ter wijziging van de Medische-Cannabiswet (BT-Drs. 21/3061), beschouw ik echter als een door symbolische politiek gemotiveerde voorwendsel, die de gezondheid van patiënten inhoudelijk niet werkelijk dient. Het voorschrijven van medische cannabis vereist in de regel geen lichamelijk onderzoek. En zelfs als het in individuele gevallen medisch geïndiceerd zou zijn, is dat een beslissing van de behandelende arts. Ik begrijp daarom niet waarom een verplichte videoconsultatie ontoereikend zou zijn om de belangen van patiënten terecht te doen.
Vraag 7: De zin die duizendmaal heeft bewezen
Als u cliënten één zin meegaf die in het advies duizendmaal heeft bewezen, hoe luidt die?
Olivia: Cannabisrecht is een sterk politiek rechtsgebied. Wie in deze markt voet wil vatten, zich daar wil handhaven of zijn rechten effectief wil doorvoeren, moet deze politieke dimensie zonder fail in de strategie van zijn zaak betrekken.
Opmerking: Het interview is schriftelijk gevoerd. Antwoorden zijn voor leesbaarheid en spellingszekerheid licht geredigeerd zonder inhoudelijk veranderd te zijn. Een vraag over rechtspraktijk in sociale zekerheid bij cannabispatiënten heeft Olivia Ewenike niet beantwoord omdat deze buiten haar adviesdomain valt. Verder: kanzlei-ewenike.de.
Vraag 3: Apotheek vs. CSC vs. thuisverbouw
Apotheekmodel, CSC-model, thuisverbouw. Welk pad is 2026 vanuit juridisch oogpunt voor welk gebruik het schoonst?
Olivia: Het apotheekmodel is vanuit juridisch oogpunt het passende toegangspad voor patiënten. Via dit model kan therapeutische begeleiding en gezondheidsverantwoord gebruik gewaarborgd worden. Vooral nu de stigmatisering afneemt en de maatschappij steeds opener staat tegenover cannabis als geneesmiddel, is te verwachten dat het aantal mensen dat cannabis niet uit louter consumptievermaak, maar als echte patiënt in aanmerking neemt, zal stijgen.
Het CSC-model daarentegen is de juridisch voorziene weg voor consumenten in de recreatieve sector. Cannabis Social Clubs zijn juist gecreëerd om een legale, gecontroleerde en preventiegebonden toegang buiten de zwarte markt mogelijk te maken. Zij vallen onder bindende en strikt gecontroleerde vereisten, vooral op het gebied van jeugdbescherming en preventie. Als de wetgever het recreatieve gebruik uit de illegale markt wil halen, zijn functionerende Cannabis Social Clubs nodig. Zonder hen blijft de legale toegang voor consumenten structureel onvolledig. Bovendien zullen jeugdbeschermings- en preventiegevallen, die clubs moeten implementeren, alleen effectief zijn als consumenten ook in de recreatieve cannabismarkt worden opgenomen.
Thuisverbouw blijft ook in 2026 juridisch geoorloofd, maar zal naar mijn inschatting ook in de toekomst slechts een relatief klein aandeel vormen. Het is vooral een model voor liefhebbers van thuis verbouwen. Als landekkend of massaal geschikt toegangspad is thuisverbouw echter slechts beperkt geschikt. Het vereist tijd, kennis, ruimtelijke mogelijkheden en een zekere praktische affiniteit. Voor het gros van de consumenten zal het daarom geen gelijkwaardige plaats zijn als gestructureerde legale toegangskanalen.
Vraag 4: Advertentierecht en HWG-corridor
Advertentierecht voor cannabis is in Duitsland restrictief. Hoe navigeren bedrijven tussen voorlichting en HWG-verbod, welke inbreuken ziet u het meest?
Olivia: In het medische gebied proberen de meeste marktdeelnemers aanvankelijk inderdaad aan de bepalingen van de Geneesmiddelwet te voldoen. Er is echter waarneembaar dat de rechtspraak op dit terrein steeds restrictiever wordt.
In het geval van telemedicijn-bedrijven ontstaat de indruk dat rechtbanken via het advertentierecht, via de achterdeur, telemedicijn-platformmodellen voor cannabis verbieden. Dit is juridisch geen bijzonder nauwkeurig instrument. Want veel inbreuken op de Geneesmiddelwet vormen aanvankelijk slechts overtredigingen. Tegelijkertijd volstaat in de praktijk vaak al een relatief kleine taalkundige of vormgeving aanpassing in de externe presentatie om jarenlang opnieuw gerechtelijke geschillen te voeren voordat een betrouwbare uitspraak eruitkomt.
In de recreatieve cannabissector is de situatie aanzienlijk scherper. Want teeltverenigingen dreigt in geval van twijfel de intrekking van toestemming, soms al bij kleinere overtredingen. Het advertentieverbod wordt door overheden restrictief uitgelegd. In de praktijk ervaar ik telkens dat teeltverenigingen niet eens een social-media-aanwezigheid wordt toegestaan. Naar mijn mening gaat deze benadering aan het werkelijke regelgevingsdoel voorbij. Als de wetgever een op preventie gebaseerde cannabisbeleid serieus neemt, kan het niet gaan om cannabis communicatief volledig taboe te maken. Wat van belang zou zijn, is het normaliseren van verantwoord gebruik. Wie alle zakelijke zichtbaarheid afsluit, zorgt niet voor preventie, maar bemoeilijkt de toegang tot legale kanalen.
Vraag 5: Kennishiaten bij jonge cannabisadvocaten
U hebt in het verleden een Cannabis-Law-Academy geleid. Waar zijn de grootste kennishiaten bij jonge advocaten die vandaag cannabisrecht ingaan?
Olivia: Waar jonge advocaten de grootste kennishiaten hebben in cannabisrecht, is minder een kwestie van ontbrekende dogmatische basiskennis dan van ontbrekende praktische betrokkenheid. Want weinig stappen in met uitsluitende focus op cannabisrecht. En zoals in veel andere juridische terreinen geldt ook hier dat men basiskennis kan nalezen, maar in de cannabisindustrie heeft deze louter theoretische kennis bijzonder smalle grenzen.
Cannabisrecht is grotendeels nog jong en sterk gepräagd door administratieve en gerechtelijke praktijk. Veel cruciale vragen zijn nog niet definitief opgelost, maar bevinden zich midden in procedures of worden pas door de concrete administratieve uitvoering vormgegeven. Dienovereenkomstig is er tot nu toe slechts een relatief beperkt bestand aan gefundeerde literatuur en betrouwbare rechtspraak waaruit werkelijk draagkrachtige gespecialiseerde kennis puur academisch kon worden afgeleid.
Precies daarin verschilt cannabisrecht van klassieke materies die over decennia zijn gedifferentieerd. In het strafrecht kan men zich bijvoorbeeld vanwege de enorme dogmatische diepte en de uitgebouwde rechtspraaklijnen tot in afzonderlijke subcategorieën toe specialiseren. In het cannabisrecht ontstaat de cruciale kennis daarentegen veelal niet eerst achter het bureau, maar in de procedure zelf, dus in contact met overheden, in licentieprocessen, in bezwaar- en gerechtsvorderingen en in contractgestaltung.
Vraag 6: Een regelgevingshendel
Welke regelgevingsverandering zou u in 2026 prioriteren als u één zaak kon bepalen?
Olivia: In de recreatieve cannabismarkt zou ik aanvankelijk geen verdere wettelijke bijstellingen prioriteren, maar een systematische verandering van de overheidsbestuurspraktijk. Op deelstaatniveau is vooral meer juridisch gekwalificeerd personeel in de toestemmingsbeheerders nodig. Ik ben ervan overtuigd dat een aanzienlijk deel van de huidige procedurevertragingen en ook veel van de eisen die door overheden worden gesteld, zou vervallen als aanvragen vaker door juristen werden behandeld.
Want momenteel gaat het niet om de uitvoering van een sinds decennia gedifferentieerd juridisch terrein, maar om de toepassing en uitleg van een nieuwe wet. Daarvoor is juridische methodische competentie nodig. Zodra zich na enkele jaren een gefundeerde overheidsbestuurspraktijk heeft uitgekristalliseerd, mag het mogelijk zijn in grotere mate terug te grijpen op personeel zonder origineel juridische achtergrond. Op dit moment acht ik dat echter ondeugdelijk. Dat de uitleg van een nieuwe regelgeving deels naar het juridische begrip van niet-juristen geschiedt, vind ik vanuit rechtsstaatogie gezichtspunt schokkend.
In het medische gebied zou ik een verplichte videoconsultatie toejuichen. Een verplicht persoonlijk artsgesprek, zoals voorzien in het concept van een Eerste Wet ter wijziging van de Medische-Cannabiswet (BT-Drs. 21/3061), beschouw ik echter als een door symbolische politiek gemotiveerde voorwendsel, die de gezondheid van patiënten inhoudelijk niet werkelijk dient. Het voorschrijven van medische cannabis vereist in de regel geen lichamelijk onderzoek. En zelfs als het in individuele gevallen medisch geïndiceerd zou zijn, is dat een beslissing van de behandelende arts. Ik begrijp daarom niet waarom een verplichte videoconsultatie ontoereikend zou zijn om de belangen van patiënten terecht te doen.
Vraag 7: De zin die duizendmaal heeft bewezen
Als u cliënten één zin meegaf die in het advies duizendmaal heeft bewezen, hoe luidt die?
Olivia: Cannabisrecht is een sterk politiek rechtsgebied. Wie in deze markt voet wil vatten, zich daar wil handhaven of zijn rechten effectief wil doorvoeren, moet deze politieke dimensie zonder fail in de strategie van zijn zaak betrekken.
Opmerking: Het interview is schriftelijk gevoerd. Antwoorden zijn voor leesbaarheid en spellingszekerheid licht geredigeerd zonder inhoudelijk veranderd te zijn. Een vraag over rechtspraktijk in sociale zekerheid bij cannabispatiënten heeft Olivia Ewenike niet beantwoord omdat deze buiten haar adviesdomain valt. Verder: kanzlei-ewenike.de.
Vraag 2: Grijze gebieden en rechterlijke uitspraken
Het KCanG is als overgangsregeling ontworpen. Welke juridische grijze gebieden worden in de komende 12 maanden een gerechtskwestie, welke uitspraken verwacht u als richtinggevend?
Olivia: In de sector recreatieve cannabis zullen rechtbanken in de komende twaalf maanden vooral die vragen moeten clarificeren die voortvloeien uit de spanningsverhouding tussen de liberaliseringswil van de wetgever en een duidelijk restrictieve overheidspraktijk. Dit omvat met name de geoorloofdheid van passende bestuursvergoeding, de grenzen van administratieve eisen met betrekking tot ledenvergaderingen van teeltverenigingen en de omvang van administratieve ingrepen in contractuele regelingen in het toestemmingsproces.
In het medische gebied zouden gerechtelijke geschillen zich in de toekomst sterker kunnen verleggen naar de beroepsbeoefenaren die samenwerken met telemedicijn-platforms, dus artsen en apothekers. Een eerste aanwijzing hiervoor is de uitspraak van het Landgericht Düsseldorf van 23.04.2026 (Az.: 37 O 55/25). De rechtbank heeft geoordeeld dat apotheken niet op vragenlijstenbasis voorgeschreven medicijnen van telemedicijn-platforms mogen leveren.
Daarnaast heeft de eisende apothekerskamer al aangekondigd dat zij zich in de toekomst ook op toezichtsmaatregelen wil richten. Dit zou alleen logisch zijn. Want de werkzaamste hefboom ligt niet noodzakelijk bij de platforms zelf, die het risico van een verbiedingsvordering vaak bereid zijn te nemen, maar bij de artsen en apothekers zonder wie deze modellen in de praktijk niet zouden functioneren. Een gebruikerservaring die gericht is op patiëntenbelang zou verwacht kunnen worden als beroepsbeoefenaren rekening moeten houden met toezichtsmaatregelen tot en met het gevaar voor het uitoefenen van hun eigen beroep. Procedures tegen beroepsbeoefenaren zouden daarom aanzienlijk effectiever kunnen zijn dan louter verbiedingsvorderingen tegen platformexploitanten.
Vraag 3: Apotheek vs. CSC vs. thuisverbouw
Apotheekmodel, CSC-model, thuisverbouw. Welk pad is 2026 vanuit juridisch oogpunt voor welk gebruik het schoonst?
Olivia: Het apotheekmodel is vanuit juridisch oogpunt het passende toegangspad voor patiënten. Via dit model kan therapeutische begeleiding en gezondheidsverantwoord gebruik gewaarborgd worden. Vooral nu de stigmatisering afneemt en de maatschappij steeds opener staat tegenover cannabis als geneesmiddel, is te verwachten dat het aantal mensen dat cannabis niet uit louter consumptievermaak, maar als echte patiënt in aanmerking neemt, zal stijgen.
Het CSC-model daarentegen is de juridisch voorziene weg voor consumenten in de recreatieve sector. Cannabis Social Clubs zijn juist gecreëerd om een legale, gecontroleerde en preventiegebonden toegang buiten de zwarte markt mogelijk te maken. Zij vallen onder bindende en strikt gecontroleerde vereisten, vooral op het gebied van jeugdbescherming en preventie. Als de wetgever het recreatieve gebruik uit de illegale markt wil halen, zijn functionerende Cannabis Social Clubs nodig. Zonder hen blijft de legale toegang voor consumenten structureel onvolledig. Bovendien zullen jeugdbeschermings- en preventiegevallen, die clubs moeten implementeren, alleen effectief zijn als consumenten ook in de recreatieve cannabismarkt worden opgenomen.
Thuisverbouw blijft ook in 2026 juridisch geoorloofd, maar zal naar mijn inschatting ook in de toekomst slechts een relatief klein aandeel vormen. Het is vooral een model voor liefhebbers van thuis verbouwen. Als landekkend of massaal geschikt toegangspad is thuisverbouw echter slechts beperkt geschikt. Het vereist tijd, kennis, ruimtelijke mogelijkheden en een zekere praktische affiniteit. Voor het gros van de consumenten zal het daarom geen gelijkwaardige plaats zijn als gestructureerde legale toegangskanalen.
Vraag 4: Advertentierecht en HWG-corridor
Advertentierecht voor cannabis is in Duitsland restrictief. Hoe navigeren bedrijven tussen voorlichting en HWG-verbod, welke inbreuken ziet u het meest?
Olivia: In het medische gebied proberen de meeste marktdeelnemers aanvankelijk inderdaad aan de bepalingen van de Geneesmiddelwet te voldoen. Er is echter waarneembaar dat de rechtspraak op dit terrein steeds restrictiever wordt.
In het geval van telemedicijn-bedrijven ontstaat de indruk dat rechtbanken via het advertentierecht, via de achterdeur, telemedicijn-platformmodellen voor cannabis verbieden. Dit is juridisch geen bijzonder nauwkeurig instrument. Want veel inbreuken op de Geneesmiddelwet vormen aanvankelijk slechts overtredigingen. Tegelijkertijd volstaat in de praktijk vaak al een relatief kleine taalkundige of vormgeving aanpassing in de externe presentatie om jarenlang opnieuw gerechtelijke geschillen te voeren voordat een betrouwbare uitspraak eruitkomt.
In de recreatieve cannabissector is de situatie aanzienlijk scherper. Want teeltverenigingen dreigt in geval van twijfel de intrekking van toestemming, soms al bij kleinere overtredingen. Het advertentieverbod wordt door overheden restrictief uitgelegd. In de praktijk ervaar ik telkens dat teeltverenigingen niet eens een social-media-aanwezigheid wordt toegestaan. Naar mijn mening gaat deze benadering aan het werkelijke regelgevingsdoel voorbij. Als de wetgever een op preventie gebaseerde cannabisbeleid serieus neemt, kan het niet gaan om cannabis communicatief volledig taboe te maken. Wat van belang zou zijn, is het normaliseren van verantwoord gebruik. Wie alle zakelijke zichtbaarheid afsluit, zorgt niet voor preventie, maar bemoeilijkt de toegang tot legale kanalen.
Vraag 5: Kennishiaten bij jonge cannabisadvocaten
U hebt in het verleden een Cannabis-Law-Academy geleid. Waar zijn de grootste kennishiaten bij jonge advocaten die vandaag cannabisrecht ingaan?
Olivia: Waar jonge advocaten de grootste kennishiaten hebben in cannabisrecht, is minder een kwestie van ontbrekende dogmatische basiskennis dan van ontbrekende praktische betrokkenheid. Want weinig stappen in met uitsluitende focus op cannabisrecht. En zoals in veel andere juridische terreinen geldt ook hier dat men basiskennis kan nalezen, maar in de cannabisindustrie heeft deze louter theoretische kennis bijzonder smalle grenzen.
Cannabisrecht is grotendeels nog jong en sterk gepräagd door administratieve en gerechtelijke praktijk. Veel cruciale vragen zijn nog niet definitief opgelost, maar bevinden zich midden in procedures of worden pas door de concrete administratieve uitvoering vormgegeven. Dienovereenkomstig is er tot nu toe slechts een relatief beperkt bestand aan gefundeerde literatuur en betrouwbare rechtspraak waaruit werkelijk draagkrachtige gespecialiseerde kennis puur academisch kon worden afgeleid.
Precies daarin verschilt cannabisrecht van klassieke materies die over decennia zijn gedifferentieerd. In het strafrecht kan men zich bijvoorbeeld vanwege de enorme dogmatische diepte en de uitgebouwde rechtspraaklijnen tot in afzonderlijke subcategorieën toe specialiseren. In het cannabisrecht ontstaat de cruciale kennis daarentegen veelal niet eerst achter het bureau, maar in de procedure zelf, dus in contact met overheden, in licentieprocessen, in bezwaar- en gerechtsvorderingen en in contractgestaltung.
Vraag 6: Een regelgevingshendel
Welke regelgevingsverandering zou u in 2026 prioriteren als u één zaak kon bepalen?
Olivia: In de recreatieve cannabismarkt zou ik aanvankelijk geen verdere wettelijke bijstellingen prioriteren, maar een systematische verandering van de overheidsbestuurspraktijk. Op deelstaatniveau is vooral meer juridisch gekwalificeerd personeel in de toestemmingsbeheerders nodig. Ik ben ervan overtuigd dat een aanzienlijk deel van de huidige procedurevertragingen en ook veel van de eisen die door overheden worden gesteld, zou vervallen als aanvragen vaker door juristen werden behandeld.
Want momenteel gaat het niet om de uitvoering van een sinds decennia gedifferentieerd juridisch terrein, maar om de toepassing en uitleg van een nieuwe wet. Daarvoor is juridische methodische competentie nodig. Zodra zich na enkele jaren een gefundeerde overheidsbestuurspraktijk heeft uitgekristalliseerd, mag het mogelijk zijn in grotere mate terug te grijpen op personeel zonder origineel juridische achtergrond. Op dit moment acht ik dat echter ondeugdelijk. Dat de uitleg van een nieuwe regelgeving deels naar het juridische begrip van niet-juristen geschiedt, vind ik vanuit rechtsstaatogie gezichtspunt schokkend.
In het medische gebied zou ik een verplichte videoconsultatie toejuichen. Een verplicht persoonlijk artsgesprek, zoals voorzien in het concept van een Eerste Wet ter wijziging van de Medische-Cannabiswet (BT-Drs. 21/3061), beschouw ik echter als een door symbolische politiek gemotiveerde voorwendsel, die de gezondheid van patiënten inhoudelijk niet werkelijk dient. Het voorschrijven van medische cannabis vereist in de regel geen lichamelijk onderzoek. En zelfs als het in individuele gevallen medisch geïndiceerd zou zijn, is dat een beslissing van de behandelende arts. Ik begrijp daarom niet waarom een verplichte videoconsultatie ontoereikend zou zijn om de belangen van patiënten terecht te doen.
Vraag 7: De zin die duizendmaal heeft bewezen
Als u cliënten één zin meegaf die in het advies duizendmaal heeft bewezen, hoe luidt die?
Olivia: Cannabisrecht is een sterk politiek rechtsgebied. Wie in deze markt voet wil vatten, zich daar wil handhaven of zijn rechten effectief wil doorvoeren, moet deze politieke dimensie zonder fail in de strategie van zijn zaak betrekken.
Opmerking: Het interview is schriftelijk gevoerd. Antwoorden zijn voor leesbaarheid en spellingszekerheid licht geredigeerd zonder inhoudelijk veranderd te zijn. Een vraag over rechtspraktijk in sociale zekerheid bij cannabispatiënten heeft Olivia Ewenike niet beantwoord omdat deze buiten haar adviesdomain valt. Verder: kanzlei-ewenike.de.
Vraag 1: CSC-oprichtingspraktijk 2026
U heeft meer dan 100 CSCs begeleid bij inschrijving en licentieaanvraag. Waar ligt het in de praktijk 2026 het meest vast? Bouwadministratie, federaal instituut, verenigingsrecht?
Olivia: De meest ernstige obstakels liggen in de praktijk nog steeds in de toestemmingsprocedure. Hoewel er regelmatig ook bouwrechtelijke conflictsituaties voorkomen, vooral wanneer de vereiste gebruiksvergunning voor de verenigingsruimten ontbreekt, wat enkele projecten aanzienlijk kan vertragen. Het werkelijke knelpunt is echter in de regel niet het bouwadministratiebureau en ook niet primair het verenigingsrecht, maar de bevoegde toestemmingsbeheerder.
In de praktijk blijkt dat daar voortdurend nieuwe voorwaarden of verdere documentatievereisten worden gesteld, die de toegang tot de teeltlicentie aanzienlijk bemoeilijken. Overheden stellen dit graag voor als gevolg van noodzakelijke administratieve controleintensiteit, maar deze vereisten volgen uit de wet in veel gevallen niet voort en in feite leiden ze regelmatig tot aanzienlijke verlenging en bemoeilijking van de procedures.
Veel clubs proberen deze procedures aanvankelijk zonder juridische begeleiding aan te gaan. Dit is begrijpelijk, maar in de praktijk blijkt het vaak een dure vergissing. Als aanvragen vanwege formele of inhoudelijke tekortkomingen aanvankelijk worden afgewezen, opnieuw moeten worden ingediend of overheden de procedure maanden laten aanslepen, ontstaan voor de oprichters in de regel aanzienlijke economische lasten. Terwijl de procedure stilstaat, lopen de kosten door, bijvoorbeeld voor de huur van de verenigingsruimten, terwijl de club niet operationeel kan werken.
Jammer genoeg mislukken in de praktijk veel CSCs juist door de veel te lange procedureduren en deels overdreven vereisten. Een situatie die van de zijde van sommige overheden naar mijn mening zeker bewust wordt ingecalculeerd.
Vraag 2: Grijze gebieden en rechterlijke uitspraken
Het KCanG is als overgangsregeling ontworpen. Welke juridische grijze gebieden worden in de komende 12 maanden een gerechtskwestie, welke uitspraken verwacht u als richtinggevend?
Olivia: In de sector recreatieve cannabis zullen rechtbanken in de komende twaalf maanden vooral die vragen moeten clarificeren die voortvloeien uit de spanningsverhouding tussen de liberaliseringswil van de wetgever en een duidelijk restrictieve overheidspraktijk. Dit omvat met name de geoorloofdheid van passende bestuursvergoeding, de grenzen van administratieve eisen met betrekking tot ledenvergaderingen van teeltverenigingen en de omvang van administratieve ingrepen in contractuele regelingen in het toestemmingsproces.
In het medische gebied zouden gerechtelijke geschillen zich in de toekomst sterker kunnen verleggen naar de beroepsbeoefenaren die samenwerken met telemedicijn-platforms, dus artsen en apothekers. Een eerste aanwijzing hiervoor is de uitspraak van het Landgericht Düsseldorf van 23.04.2026 (Az.: 37 O 55/25). De rechtbank heeft geoordeeld dat apotheken niet op vragenlijstenbasis voorgeschreven medicijnen van telemedicijn-platforms mogen leveren.
Daarnaast heeft de eisende apothekerskamer al aangekondigd dat zij zich in de toekomst ook op toezichtsmaatregelen wil richten. Dit zou alleen logisch zijn. Want de werkzaamste hefboom ligt niet noodzakelijk bij de platforms zelf, die het risico van een verbiedingsvordering vaak bereid zijn te nemen, maar bij de artsen en apothekers zonder wie deze modellen in de praktijk niet zouden functioneren. Een gebruikerservaring die gericht is op patiëntenbelang zou verwacht kunnen worden als beroepsbeoefenaren rekening moeten houden met toezichtsmaatregelen tot en met het gevaar voor het uitoefenen van hun eigen beroep. Procedures tegen beroepsbeoefenaren zouden daarom aanzienlijk effectiever kunnen zijn dan louter verbiedingsvorderingen tegen platformexploitanten.
Vraag 3: Apotheek vs. CSC vs. thuisverbouw
Apotheekmodel, CSC-model, thuisverbouw. Welk pad is 2026 vanuit juridisch oogpunt voor welk gebruik het schoonst?
Olivia: Het apotheekmodel is vanuit juridisch oogpunt het passende toegangspad voor patiënten. Via dit model kan therapeutische begeleiding en gezondheidsverantwoord gebruik gewaarborgd worden. Vooral nu de stigmatisering afneemt en de maatschappij steeds opener staat tegenover cannabis als geneesmiddel, is te verwachten dat het aantal mensen dat cannabis niet uit louter consumptievermaak, maar als echte patiënt in aanmerking neemt, zal stijgen.
Het CSC-model daarentegen is de juridisch voorziene weg voor consumenten in de recreatieve sector. Cannabis Social Clubs zijn juist gecreëerd om een legale, gecontroleerde en preventiegebonden toegang buiten de zwarte markt mogelijk te maken. Zij vallen onder bindende en strikt gecontroleerde vereisten, vooral op het gebied van jeugdbescherming en preventie. Als de wetgever het recreatieve gebruik uit de illegale markt wil halen, zijn functionerende Cannabis Social Clubs nodig. Zonder hen blijft de legale toegang voor consumenten structureel onvolledig. Bovendien zullen jeugdbeschermings- en preventiegevallen, die clubs moeten implementeren, alleen effectief zijn als consumenten ook in de recreatieve cannabismarkt worden opgenomen.
Thuisverbouw blijft ook in 2026 juridisch geoorloofd, maar zal naar mijn inschatting ook in de toekomst slechts een relatief klein aandeel vormen. Het is vooral een model voor liefhebbers van thuis verbouwen. Als landekkend of massaal geschikt toegangspad is thuisverbouw echter slechts beperkt geschikt. Het vereist tijd, kennis, ruimtelijke mogelijkheden en een zekere praktische affiniteit. Voor het gros van de consumenten zal het daarom geen gelijkwaardige plaats zijn als gestructureerde legale toegangskanalen.
Vraag 4: Advertentierecht en HWG-corridor
Advertentierecht voor cannabis is in Duitsland restrictief. Hoe navigeren bedrijven tussen voorlichting en HWG-verbod, welke inbreuken ziet u het meest?
Olivia: In het medische gebied proberen de meeste marktdeelnemers aanvankelijk inderdaad aan de bepalingen van de Geneesmiddelwet te voldoen. Er is echter waarneembaar dat de rechtspraak op dit terrein steeds restrictiever wordt.
In het geval van telemedicijn-bedrijven ontstaat de indruk dat rechtbanken via het advertentierecht, via de achterdeur, telemedicijn-platformmodellen voor cannabis verbieden. Dit is juridisch geen bijzonder nauwkeurig instrument. Want veel inbreuken op de Geneesmiddelwet vormen aanvankelijk slechts overtredigingen. Tegelijkertijd volstaat in de praktijk vaak al een relatief kleine taalkundige of vormgeving aanpassing in de externe presentatie om jarenlang opnieuw gerechtelijke geschillen te voeren voordat een betrouwbare uitspraak eruitkomt.
In de recreatieve cannabissector is de situatie aanzienlijk scherper. Want teeltverenigingen dreigt in geval van twijfel de intrekking van toestemming, soms al bij kleinere overtredingen. Het advertentieverbod wordt door overheden restrictief uitgelegd. In de praktijk ervaar ik telkens dat teeltverenigingen niet eens een social-media-aanwezigheid wordt toegestaan. Naar mijn mening gaat deze benadering aan het werkelijke regelgevingsdoel voorbij. Als de wetgever een op preventie gebaseerde cannabisbeleid serieus neemt, kan het niet gaan om cannabis communicatief volledig taboe te maken. Wat van belang zou zijn, is het normaliseren van verantwoord gebruik. Wie alle zakelijke zichtbaarheid afsluit, zorgt niet voor preventie, maar bemoeilijkt de toegang tot legale kanalen.
Vraag 5: Kennishiaten bij jonge cannabisadvocaten
U hebt in het verleden een Cannabis-Law-Academy geleid. Waar zijn de grootste kennishiaten bij jonge advocaten die vandaag cannabisrecht ingaan?
Olivia: Waar jonge advocaten de grootste kennishiaten hebben in cannabisrecht, is minder een kwestie van ontbrekende dogmatische basiskennis dan van ontbrekende praktische betrokkenheid. Want weinig stappen in met uitsluitende focus op cannabisrecht. En zoals in veel andere juridische terreinen geldt ook hier dat men basiskennis kan nalezen, maar in de cannabisindustrie heeft deze louter theoretische kennis bijzonder smalle grenzen.
Cannabisrecht is grotendeels nog jong en sterk gepräagd door administratieve en gerechtelijke praktijk. Veel cruciale vragen zijn nog niet definitief opgelost, maar bevinden zich midden in procedures of worden pas door de concrete administratieve uitvoering vormgegeven. Dienovereenkomstig is er tot nu toe slechts een relatief beperkt bestand aan gefundeerde literatuur en betrouwbare rechtspraak waaruit werkelijk draagkrachtige gespecialiseerde kennis puur academisch kon worden afgeleid.
Precies daarin verschilt cannabisrecht van klassieke materies die over decennia zijn gedifferentieerd. In het strafrecht kan men zich bijvoorbeeld vanwege de enorme dogmatische diepte en de uitgebouwde rechtspraaklijnen tot in afzonderlijke subcategorieën toe specialiseren. In het cannabisrecht ontstaat de cruciale kennis daarentegen veelal niet eerst achter het bureau, maar in de procedure zelf, dus in contact met overheden, in licentieprocessen, in bezwaar- en gerechtsvorderingen en in contractgestaltung.
Vraag 6: Een regelgevingshendel
Welke regelgevingsverandering zou u in 2026 prioriteren als u één zaak kon bepalen?
Olivia: In de recreatieve cannabismarkt zou ik aanvankelijk geen verdere wettelijke bijstellingen prioriteren, maar een systematische verandering van de overheidsbestuurspraktijk. Op deelstaatniveau is vooral meer juridisch gekwalificeerd personeel in de toestemmingsbeheerders nodig. Ik ben ervan overtuigd dat een aanzienlijk deel van de huidige procedurevertragingen en ook veel van de eisen die door overheden worden gesteld, zou vervallen als aanvragen vaker door juristen werden behandeld.
Want momenteel gaat het niet om de uitvoering van een sinds decennia gedifferentieerd juridisch terrein, maar om de toepassing en uitleg van een nieuwe wet. Daarvoor is juridische methodische competentie nodig. Zodra zich na enkele jaren een gefundeerde overheidsbestuurspraktijk heeft uitgekristalliseerd, mag het mogelijk zijn in grotere mate terug te grijpen op personeel zonder origineel juridische achtergrond. Op dit moment acht ik dat echter ondeugdelijk. Dat de uitleg van een nieuwe regelgeving deels naar het juridische begrip van niet-juristen geschiedt, vind ik vanuit rechtsstaatogie gezichtspunt schokkend.
In het medische gebied zou ik een verplichte videoconsultatie toejuichen. Een verplicht persoonlijk artsgesprek, zoals voorzien in het concept van een Eerste Wet ter wijziging van de Medische-Cannabiswet (BT-Drs. 21/3061), beschouw ik echter als een door symbolische politiek gemotiveerde voorwendsel, die de gezondheid van patiënten inhoudelijk niet werkelijk dient. Het voorschrijven van medische cannabis vereist in de regel geen lichamelijk onderzoek. En zelfs als het in individuele gevallen medisch geïndiceerd zou zijn, is dat een beslissing van de behandelende arts. Ik begrijp daarom niet waarom een verplichte videoconsultatie ontoereikend zou zijn om de belangen van patiënten terecht te doen.
Vraag 7: De zin die duizendmaal heeft bewezen
Als u cliënten één zin meegaf die in het advies duizendmaal heeft bewezen, hoe luidt die?
Olivia: Cannabisrecht is een sterk politiek rechtsgebied. Wie in deze markt voet wil vatten, zich daar wil handhaven of zijn rechten effectief wil doorvoeren, moet deze politieke dimensie zonder fail in de strategie van zijn zaak betrekken.
Opmerking: Het interview is schriftelijk gevoerd. Antwoorden zijn voor leesbaarheid en spellingszekerheid licht geredigeerd zonder inhoudelijk veranderd te zijn. Een vraag over rechtspraktijk in sociale zekerheid bij cannabispatiënten heeft Olivia Ewenike niet beantwoord omdat deze buiten haar adviesdomain valt. Verder: kanzlei-ewenike.de.
💬 In gesprek
Advocaat, Kanzlei Ewenike
Olivia Ewenike is een Duitse advocaat met specialisatie in cannabis- en nutshennepregulatoria. Sinds de inwerkingtreding van het KCanG in 2024 heeft zij meer dan 100 CSCs begeleid bij inschrijving en licentieaanvraag en adviseert zij prominente telemedicijn-bedrijven en CBD-handelaren. LL.M. op het gebied van compliance met specialisatie in cannabisregulering. Internationaal gezochte spreker (Cannabis Europa Londen, C-Days Barcelona, Asia International Hemp Expo Bangkok, Japan International Hemp Expo Tokio).
Vraag 1: CSC-oprichtingspraktijk 2026
U heeft meer dan 100 CSCs begeleid bij inschrijving en licentieaanvraag. Waar ligt het in de praktijk 2026 het meest vast? Bouwadministratie, federaal instituut, verenigingsrecht?
Olivia: De meest ernstige obstakels liggen in de praktijk nog steeds in de toestemmingsprocedure. Hoewel er regelmatig ook bouwrechtelijke conflictsituaties voorkomen, vooral wanneer de vereiste gebruiksvergunning voor de verenigingsruimten ontbreekt, wat enkele projecten aanzienlijk kan vertragen. Het werkelijke knelpunt is echter in de regel niet het bouwadministratiebureau en ook niet primair het verenigingsrecht, maar de bevoegde toestemmingsbeheerder.
In de praktijk blijkt dat daar voortdurend nieuwe voorwaarden of verdere documentatievereisten worden gesteld, die de toegang tot de teeltlicentie aanzienlijk bemoeilijken. Overheden stellen dit graag voor als gevolg van noodzakelijke administratieve controleintensiteit, maar deze vereisten volgen uit de wet in veel gevallen niet voort en in feite leiden ze regelmatig tot aanzienlijke verlenging en bemoeilijking van de procedures.
Veel clubs proberen deze procedures aanvankelijk zonder juridische begeleiding aan te gaan. Dit is begrijpelijk, maar in de praktijk blijkt het vaak een dure vergissing. Als aanvragen vanwege formele of inhoudelijke tekortkomingen aanvankelijk worden afgewezen, opnieuw moeten worden ingediend of overheden de procedure maanden laten aanslepen, ontstaan voor de oprichters in de regel aanzienlijke economische lasten. Terwijl de procedure stilstaat, lopen de kosten door, bijvoorbeeld voor de huur van de verenigingsruimten, terwijl de club niet operationeel kan werken.
Jammer genoeg mislukken in de praktijk veel CSCs juist door de veel te lange procedureduren en deels overdreven vereisten. Een situatie die van de zijde van sommige overheden naar mijn mening zeker bewust wordt ingecalculeerd.
Vraag 2: Grijze gebieden en rechterlijke uitspraken
Het KCanG is als overgangsregeling ontworpen. Welke juridische grijze gebieden worden in de komende 12 maanden een gerechtskwestie, welke uitspraken verwacht u als richtinggevend?
Olivia: In de sector recreatieve cannabis zullen rechtbanken in de komende twaalf maanden vooral die vragen moeten clarificeren die voortvloeien uit de spanningsverhouding tussen de liberaliseringswil van de wetgever en een duidelijk restrictieve overheidspraktijk. Dit omvat met name de geoorloofdheid van passende bestuursvergoeding, de grenzen van administratieve eisen met betrekking tot ledenvergaderingen van teeltverenigingen en de omvang van administratieve ingrepen in contractuele regelingen in het toestemmingsproces.
In het medische gebied zouden gerechtelijke geschillen zich in de toekomst sterker kunnen verleggen naar de beroepsbeoefenaren die samenwerken met telemedicijn-platforms, dus artsen en apothekers. Een eerste aanwijzing hiervoor is de uitspraak van het Landgericht Düsseldorf van 23.04.2026 (Az.: 37 O 55/25). De rechtbank heeft geoordeeld dat apotheken niet op vragenlijstenbasis voorgeschreven medicijnen van telemedicijn-platforms mogen leveren.
Daarnaast heeft de eisende apothekerskamer al aangekondigd dat zij zich in de toekomst ook op toezichtsmaatregelen wil richten. Dit zou alleen logisch zijn. Want de werkzaamste hefboom ligt niet noodzakelijk bij de platforms zelf, die het risico van een verbiedingsvordering vaak bereid zijn te nemen, maar bij de artsen en apothekers zonder wie deze modellen in de praktijk niet zouden functioneren. Een gebruikerservaring die gericht is op patiëntenbelang zou verwacht kunnen worden als beroepsbeoefenaren rekening moeten houden met toezichtsmaatregelen tot en met het gevaar voor het uitoefenen van hun eigen beroep. Procedures tegen beroepsbeoefenaren zouden daarom aanzienlijk effectiever kunnen zijn dan louter verbiedingsvorderingen tegen platformexploitanten.
Vraag 3: Apotheek vs. CSC vs. thuisverbouw
Apotheekmodel, CSC-model, thuisverbouw. Welk pad is 2026 vanuit juridisch oogpunt voor welk gebruik het schoonst?
Olivia: Het apotheekmodel is vanuit juridisch oogpunt het passende toegangspad voor patiënten. Via dit model kan therapeutische begeleiding en gezondheidsverantwoord gebruik gewaarborgd worden. Vooral nu de stigmatisering afneemt en de maatschappij steeds opener staat tegenover cannabis als geneesmiddel, is te verwachten dat het aantal mensen dat cannabis niet uit louter consumptievermaak, maar als echte patiënt in aanmerking neemt, zal stijgen.
Het CSC-model daarentegen is de juridisch voorziene weg voor consumenten in de recreatieve sector. Cannabis Social Clubs zijn juist gecreëerd om een legale, gecontroleerde en preventiegebonden toegang buiten de zwarte markt mogelijk te maken. Zij vallen onder bindende en strikt gecontroleerde vereisten, vooral op het gebied van jeugdbescherming en preventie. Als de wetgever het recreatieve gebruik uit de illegale markt wil halen, zijn functionerende Cannabis Social Clubs nodig. Zonder hen blijft de legale toegang voor consumenten structureel onvolledig. Bovendien zullen jeugdbeschermings- en preventiegevallen, die clubs moeten implementeren, alleen effectief zijn als consumenten ook in de recreatieve cannabismarkt worden opgenomen.
Thuisverbouw blijft ook in 2026 juridisch geoorloofd, maar zal naar mijn inschatting ook in de toekomst slechts een relatief klein aandeel vormen. Het is vooral een model voor liefhebbers van thuis verbouwen. Als landekkend of massaal geschikt toegangspad is thuisverbouw echter slechts beperkt geschikt. Het vereist tijd, kennis, ruimtelijke mogelijkheden en een zekere praktische affiniteit. Voor het gros van de consumenten zal het daarom geen gelijkwaardige plaats zijn als gestructureerde legale toegangskanalen.
Vraag 4: Advertentierecht en HWG-corridor
Advertentierecht voor cannabis is in Duitsland restrictief. Hoe navigeren bedrijven tussen voorlichting en HWG-verbod, welke inbreuken ziet u het meest?
Olivia: In het medische gebied proberen de meeste marktdeelnemers aanvankelijk inderdaad aan de bepalingen van de Geneesmiddelwet te voldoen. Er is echter waarneembaar dat de rechtspraak op dit terrein steeds restrictiever wordt.
In het geval van telemedicijn-bedrijven ontstaat de indruk dat rechtbanken via het advertentierecht, via de achterdeur, telemedicijn-platformmodellen voor cannabis verbieden. Dit is juridisch geen bijzonder nauwkeurig instrument. Want veel inbreuken op de Geneesmiddelwet vormen aanvankelijk slechts overtredigingen. Tegelijkertijd volstaat in de praktijk vaak al een relatief kleine taalkundige of vormgeving aanpassing in de externe presentatie om jarenlang opnieuw gerechtelijke geschillen te voeren voordat een betrouwbare uitspraak eruitkomt.
In de recreatieve cannabissector is de situatie aanzienlijk scherper. Want teeltverenigingen dreigt in geval van twijfel de intrekking van toestemming, soms al bij kleinere overtredingen. Het advertentieverbod wordt door overheden restrictief uitgelegd. In de praktijk ervaar ik telkens dat teeltverenigingen niet eens een social-media-aanwezigheid wordt toegestaan. Naar mijn mening gaat deze benadering aan het werkelijke regelgevingsdoel voorbij. Als de wetgever een op preventie gebaseerde cannabisbeleid serieus neemt, kan het niet gaan om cannabis communicatief volledig taboe te maken. Wat van belang zou zijn, is het normaliseren van verantwoord gebruik. Wie alle zakelijke zichtbaarheid afsluit, zorgt niet voor preventie, maar bemoeilijkt de toegang tot legale kanalen.
Vraag 5: Kennishiaten bij jonge cannabisadvocaten
U hebt in het verleden een Cannabis-Law-Academy geleid. Waar zijn de grootste kennishiaten bij jonge advocaten die vandaag cannabisrecht ingaan?
Olivia: Waar jonge advocaten de grootste kennishiaten hebben in cannabisrecht, is minder een kwestie van ontbrekende dogmatische basiskennis dan van ontbrekende praktische betrokkenheid. Want weinig stappen in met uitsluitende focus op cannabisrecht. En zoals in veel andere juridische terreinen geldt ook hier dat men basiskennis kan nalezen, maar in de cannabisindustrie heeft deze louter theoretische kennis bijzonder smalle grenzen.
Cannabisrecht is grotendeels nog jong en sterk gepräagd door administratieve en gerechtelijke praktijk. Veel cruciale vragen zijn nog niet definitief opgelost, maar bevinden zich midden in procedures of worden pas door de concrete administratieve uitvoering vormgegeven. Dienovereenkomstig is er tot nu toe slechts een relatief beperkt bestand aan gefundeerde literatuur en betrouwbare rechtspraak waaruit werkelijk draagkrachtige gespecialiseerde kennis puur academisch kon worden afgeleid.
Precies daarin verschilt cannabisrecht van klassieke materies die over decennia zijn gedifferentieerd. In het strafrecht kan men zich bijvoorbeeld vanwege de enorme dogmatische diepte en de uitgebouwde rechtspraaklijnen tot in afzonderlijke subcategorieën toe specialiseren. In het cannabisrecht ontstaat de cruciale kennis daarentegen veelal niet eerst achter het bureau, maar in de procedure zelf, dus in contact met overheden, in licentieprocessen, in bezwaar- en gerechtsvorderingen en in contractgestaltung.
Vraag 6: Een regelgevingshendel
Welke regelgevingsverandering zou u in 2026 prioriteren als u één zaak kon bepalen?
Olivia: In de recreatieve cannabismarkt zou ik aanvankelijk geen verdere wettelijke bijstellingen prioriteren, maar een systematische verandering van de overheidsbestuurspraktijk. Op deelstaatniveau is vooral meer juridisch gekwalificeerd personeel in de toestemmingsbeheerders nodig. Ik ben ervan overtuigd dat een aanzienlijk deel van de huidige procedurevertragingen en ook veel van de eisen die door overheden worden gesteld, zou vervallen als aanvragen vaker door juristen werden behandeld.
Want momenteel gaat het niet om de uitvoering van een sinds decennia gedifferentieerd juridisch terrein, maar om de toepassing en uitleg van een nieuwe wet. Daarvoor is juridische methodische competentie nodig. Zodra zich na enkele jaren een gefundeerde overheidsbestuurspraktijk heeft uitgekristalliseerd, mag het mogelijk zijn in grotere mate terug te grijpen op personeel zonder origineel juridische achtergrond. Op dit moment acht ik dat echter ondeugdelijk. Dat de uitleg van een nieuwe regelgeving deels naar het juridische begrip van niet-juristen geschiedt, vind ik vanuit rechtsstaatogie gezichtspunt schokkend.
In het medische gebied zou ik een verplichte videoconsultatie toejuichen. Een verplicht persoonlijk artsgesprek, zoals voorzien in het concept van een Eerste Wet ter wijziging van de Medische-Cannabiswet (BT-Drs. 21/3061), beschouw ik echter als een door symbolische politiek gemotiveerde voorwendsel, die de gezondheid van patiënten inhoudelijk niet werkelijk dient. Het voorschrijven van medische cannabis vereist in de regel geen lichamelijk onderzoek. En zelfs als het in individuele gevallen medisch geïndiceerd zou zijn, is dat een beslissing van de behandelende arts. Ik begrijp daarom niet waarom een verplichte videoconsultatie ontoereikend zou zijn om de belangen van patiënten terecht te doen.
Vraag 7: De zin die duizendmaal heeft bewezen
Als u cliënten één zin meegaf die in het advies duizendmaal heeft bewezen, hoe luidt die?
Olivia: Cannabisrecht is een sterk politiek rechtsgebied. Wie in deze markt voet wil vatten, zich daar wil handhaven of zijn rechten effectief wil doorvoeren, moet deze politieke dimensie zonder fail in de strategie van zijn zaak betrekken.
Opmerking: Het interview is schriftelijk gevoerd. Antwoorden zijn voor leesbaarheid en spellingszekerheid licht geredigeerd zonder inhoudelijk veranderd te zijn. Een vraag over rechtspraktijk in sociale zekerheid bij cannabispatiënten heeft Olivia Ewenike niet beantwoord omdat deze buiten haar adviesdomain valt. Verder: kanzlei-ewenike.de.
Sinds de inwerkingtreding van de Wet Recreatieve Cannabis (KCanG) in april 2024 heeft Olivia Ewenike zich ontwikkeld tot een van de meest praktisch ervaren regelgevingsadvocaten in de Duitse sector voor recreatieve cannabis. Volgens haar eigen opgave heeft zij meer dan 100 Cannabis Social Clubs (CSCs) begeleid bij inschrijving en licentieaanvraag, en daarnaast meerdere telemedicijn-bedrijven ondersteund bij de opzet van hun bedrijfsmodellen en CBD-handelaren bijgestaan in straf- en onderzoeksverfahringen.
Twee jaar na de start van het KCanG-regime schetst zij een ontmoedigend beeld. Overheidsinstanties ontwikkelen hun eigen uitleglijnen, apothekersschappen grijpen via advertentierecht in op telemedicijn-structuren, en de werkelijke bottleneck voor teeltverenigingen ligt niet op het bouwadministratiebureau, maar bij de toestemmingsbeheerders, die volgens haar waarneming procedurevertragingen deels bewust inkalkuleren. In een schriftelijk interview met het Hanf Magazin gaat Ewenike in op juridische geschilpunten in 2026, noemt zij eerste rechtbankuitspraken met signaalwerking en formuleert zij haar prioriteit als zij zelf een regelgevingshendel kon bedienen.
De antwoorden zijn schriftelijk ontvangen en alleen minimaal geredigeerd voor leesbaarheid. Een vraag over rechtspraktijk bij socialezekerheid voor cannabispatiënten heeft Ewenike niet beantwoord, omdat dit buiten haar adviesdomain valt.
💬 In gesprek
Advocaat, Kanzlei Ewenike
Olivia Ewenike is een Duitse advocaat met specialisatie in cannabis- en nutshennepregulatoria. Sinds de inwerkingtreding van het KCanG in 2024 heeft zij meer dan 100 CSCs begeleid bij inschrijving en licentieaanvraag en adviseert zij prominente telemedicijn-bedrijven en CBD-handelaren. LL.M. op het gebied van compliance met specialisatie in cannabisregulering. Internationaal gezochte spreker (Cannabis Europa Londen, C-Days Barcelona, Asia International Hemp Expo Bangkok, Japan International Hemp Expo Tokio).
Vraag 1: CSC-oprichtingspraktijk 2026
U heeft meer dan 100 CSCs begeleid bij inschrijving en licentieaanvraag. Waar ligt het in de praktijk 2026 het meest vast? Bouwadministratie, federaal instituut, verenigingsrecht?
Olivia: De meest ernstige obstakels liggen in de praktijk nog steeds in de toestemmingsprocedure. Hoewel er regelmatig ook bouwrechtelijke conflictsituaties voorkomen, vooral wanneer de vereiste gebruiksvergunning voor de verenigingsruimten ontbreekt, wat enkele projecten aanzienlijk kan vertragen. Het werkelijke knelpunt is echter in de regel niet het bouwadministratiebureau en ook niet primair het verenigingsrecht, maar de bevoegde toestemmingsbeheerder.
In de praktijk blijkt dat daar voortdurend nieuwe voorwaarden of verdere documentatievereisten worden gesteld, die de toegang tot de teeltlicentie aanzienlijk bemoeilijken. Overheden stellen dit graag voor als gevolg van noodzakelijke administratieve controleintensiteit, maar deze vereisten volgen uit de wet in veel gevallen niet voort en in feite leiden ze regelmatig tot aanzienlijke verlenging en bemoeilijking van de procedures.
Veel clubs proberen deze procedures aanvankelijk zonder juridische begeleiding aan te gaan. Dit is begrijpelijk, maar in de praktijk blijkt het vaak een dure vergissing. Als aanvragen vanwege formele of inhoudelijke tekortkomingen aanvankelijk worden afgewezen, opnieuw moeten worden ingediend of overheden de procedure maanden laten aanslepen, ontstaan voor de oprichters in de regel aanzienlijke economische lasten. Terwijl de procedure stilstaat, lopen de kosten door, bijvoorbeeld voor de huur van de verenigingsruimten, terwijl de club niet operationeel kan werken.
Jammer genoeg mislukken in de praktijk veel CSCs juist door de veel te lange procedureduren en deels overdreven vereisten. Een situatie die van de zijde van sommige overheden naar mijn mening zeker bewust wordt ingecalculeerd.
Vraag 2: Grijze gebieden en rechterlijke uitspraken
Het KCanG is als overgangsregeling ontworpen. Welke juridische grijze gebieden worden in de komende 12 maanden een gerechtskwestie, welke uitspraken verwacht u als richtinggevend?
Olivia: In de sector recreatieve cannabis zullen rechtbanken in de komende twaalf maanden vooral die vragen moeten clarificeren die voortvloeien uit de spanningsverhouding tussen de liberaliseringswil van de wetgever en een duidelijk restrictieve overheidspraktijk. Dit omvat met name de geoorloofdheid van passende bestuursvergoeding, de grenzen van administratieve eisen met betrekking tot ledenvergaderingen van teeltverenigingen en de omvang van administratieve ingrepen in contractuele regelingen in het toestemmingsproces.
In het medische gebied zouden gerechtelijke geschillen zich in de toekomst sterker kunnen verleggen naar de beroepsbeoefenaren die samenwerken met telemedicijn-platforms, dus artsen en apothekers. Een eerste aanwijzing hiervoor is de uitspraak van het Landgericht Düsseldorf van 23.04.2026 (Az.: 37 O 55/25). De rechtbank heeft geoordeeld dat apotheken niet op vragenlijstenbasis voorgeschreven medicijnen van telemedicijn-platforms mogen leveren.
Daarnaast heeft de eisende apothekerskamer al aangekondigd dat zij zich in de toekomst ook op toezichtsmaatregelen wil richten. Dit zou alleen logisch zijn. Want de werkzaamste hefboom ligt niet noodzakelijk bij de platforms zelf, die het risico van een verbiedingsvordering vaak bereid zijn te nemen, maar bij de artsen en apothekers zonder wie deze modellen in de praktijk niet zouden functioneren. Een gebruikerservaring die gericht is op patiëntenbelang zou verwacht kunnen worden als beroepsbeoefenaren rekening moeten houden met toezichtsmaatregelen tot en met het gevaar voor het uitoefenen van hun eigen beroep. Procedures tegen beroepsbeoefenaren zouden daarom aanzienlijk effectiever kunnen zijn dan louter verbiedingsvorderingen tegen platformexploitanten.
Vraag 3: Apotheek vs. CSC vs. thuisverbouw
Apotheekmodel, CSC-model, thuisverbouw. Welk pad is 2026 vanuit juridisch oogpunt voor welk gebruik het schoonst?
Olivia: Het apotheekmodel is vanuit juridisch oogpunt het passende toegangspad voor patiënten. Via dit model kan therapeutische begeleiding en gezondheidsverantwoord gebruik gewaarborgd worden. Vooral nu de stigmatisering afneemt en de maatschappij steeds opener staat tegenover cannabis als geneesmiddel, is te verwachten dat het aantal mensen dat cannabis niet uit louter consumptievermaak, maar als echte patiënt in aanmerking neemt, zal stijgen.
Het CSC-model daarentegen is de juridisch voorziene weg voor consumenten in de recreatieve sector. Cannabis Social Clubs zijn juist gecreëerd om een legale, gecontroleerde en preventiegebonden toegang buiten de zwarte markt mogelijk te maken. Zij vallen onder bindende en strikt gecontroleerde vereisten, vooral op het gebied van jeugdbescherming en preventie. Als de wetgever het recreatieve gebruik uit de illegale markt wil halen, zijn functionerende Cannabis Social Clubs nodig. Zonder hen blijft de legale toegang voor consumenten structureel onvolledig. Bovendien zullen jeugdbeschermings- en preventiegevallen, die clubs moeten implementeren, alleen effectief zijn als consumenten ook in de recreatieve cannabismarkt worden opgenomen.
Thuisverbouw blijft ook in 2026 juridisch geoorloofd, maar zal naar mijn inschatting ook in de toekomst slechts een relatief klein aandeel vormen. Het is vooral een model voor liefhebbers van thuis verbouwen. Als landekkend of massaal geschikt toegangspad is thuisverbouw echter slechts beperkt geschikt. Het vereist tijd, kennis, ruimtelijke mogelijkheden en een zekere praktische affiniteit. Voor het gros van de consumenten zal het daarom geen gelijkwaardige plaats zijn als gestructureerde legale toegangskanalen.
Vraag 4: Advertentierecht en HWG-corridor
Advertentierecht voor cannabis is in Duitsland restrictief. Hoe navigeren bedrijven tussen voorlichting en HWG-verbod, welke inbreuken ziet u het meest?
Olivia: In het medische gebied proberen de meeste marktdeelnemers aanvankelijk inderdaad aan de bepalingen van de Geneesmiddelwet te voldoen. Er is echter waarneembaar dat de rechtspraak op dit terrein steeds restrictiever wordt.
In het geval van telemedicijn-bedrijven ontstaat de indruk dat rechtbanken via het advertentierecht, via de achterdeur, telemedicijn-platformmodellen voor cannabis verbieden. Dit is juridisch geen bijzonder nauwkeurig instrument. Want veel inbreuken op de Geneesmiddelwet vormen aanvankelijk slechts overtredigingen. Tegelijkertijd volstaat in de praktijk vaak al een relatief kleine taalkundige of vormgeving aanpassing in de externe presentatie om jarenlang opnieuw gerechtelijke geschillen te voeren voordat een betrouwbare uitspraak eruitkomt.
In de recreatieve cannabissector is de situatie aanzienlijk scherper. Want teeltverenigingen dreigt in geval van twijfel de intrekking van toestemming, soms al bij kleinere overtredingen. Het advertentieverbod wordt door overheden restrictief uitgelegd. In de praktijk ervaar ik telkens dat teeltverenigingen niet eens een social-media-aanwezigheid wordt toegestaan. Naar mijn mening gaat deze benadering aan het werkelijke regelgevingsdoel voorbij. Als de wetgever een op preventie gebaseerde cannabisbeleid serieus neemt, kan het niet gaan om cannabis communicatief volledig taboe te maken. Wat van belang zou zijn, is het normaliseren van verantwoord gebruik. Wie alle zakelijke zichtbaarheid afsluit, zorgt niet voor preventie, maar bemoeilijkt de toegang tot legale kanalen.
Vraag 5: Kennishiaten bij jonge cannabisadvocaten
U hebt in het verleden een Cannabis-Law-Academy geleid. Waar zijn de grootste kennishiaten bij jonge advocaten die vandaag cannabisrecht ingaan?
Olivia: Waar jonge advocaten de grootste kennishiaten hebben in cannabisrecht, is minder een kwestie van ontbrekende dogmatische basiskennis dan van ontbrekende praktische betrokkenheid. Want weinig stappen in met uitsluitende focus op cannabisrecht. En zoals in veel andere juridische terreinen geldt ook hier dat men basiskennis kan nalezen, maar in de cannabisindustrie heeft deze louter theoretische kennis bijzonder smalle grenzen.
Cannabisrecht is grotendeels nog jong en sterk gepräagd door administratieve en gerechtelijke praktijk. Veel cruciale vragen zijn nog niet definitief opgelost, maar bevinden zich midden in procedures of worden pas door de concrete administratieve uitvoering vormgegeven. Dienovereenkomstig is er tot nu toe slechts een relatief beperkt bestand aan gefundeerde literatuur en betrouwbare rechtspraak waaruit werkelijk draagkrachtige gespecialiseerde kennis puur academisch kon worden afgeleid.
Precies daarin verschilt cannabisrecht van klassieke materies die over decennia zijn gedifferentieerd. In het strafrecht kan men zich bijvoorbeeld vanwege de enorme dogmatische diepte en de uitgebouwde rechtspraaklijnen tot in afzonderlijke subcategorieën toe specialiseren. In het cannabisrecht ontstaat de cruciale kennis daarentegen veelal niet eerst achter het bureau, maar in de procedure zelf, dus in contact met overheden, in licentieprocessen, in bezwaar- en gerechtsvorderingen en in contractgestaltung.
Vraag 6: Een regelgevingshendel
Welke regelgevingsverandering zou u in 2026 prioriteren als u één zaak kon bepalen?
Olivia: In de recreatieve cannabismarkt zou ik aanvankelijk geen verdere wettelijke bijstellingen prioriteren, maar een systematische verandering van de overheidsbestuurspraktijk. Op deelstaatniveau is vooral meer juridisch gekwalificeerd personeel in de toestemmingsbeheerders nodig. Ik ben ervan overtuigd dat een aanzienlijk deel van de huidige procedurevertragingen en ook veel van de eisen die door overheden worden gesteld, zou vervallen als aanvragen vaker door juristen werden behandeld.
Want momenteel gaat het niet om de uitvoering van een sinds decennia gedifferentieerd juridisch terrein, maar om de toepassing en uitleg van een nieuwe wet. Daarvoor is juridische methodische competentie nodig. Zodra zich na enkele jaren een gefundeerde overheidsbestuurspraktijk heeft uitgekristalliseerd, mag het mogelijk zijn in grotere mate terug te grijpen op personeel zonder origineel juridische achtergrond. Op dit moment acht ik dat echter ondeugdelijk. Dat de uitleg van een nieuwe regelgeving deels naar het juridische begrip van niet-juristen geschiedt, vind ik vanuit rechtsstaatogie gezichtspunt schokkend.
In het medische gebied zou ik een verplichte videoconsultatie toejuichen. Een verplicht persoonlijk artsgesprek, zoals voorzien in het concept van een Eerste Wet ter wijziging van de Medische-Cannabiswet (BT-Drs. 21/3061), beschouw ik echter als een door symbolische politiek gemotiveerde voorwendsel, die de gezondheid van patiënten inhoudelijk niet werkelijk dient. Het voorschrijven van medische cannabis vereist in de regel geen lichamelijk onderzoek. En zelfs als het in individuele gevallen medisch geïndiceerd zou zijn, is dat een beslissing van de behandelende arts. Ik begrijp daarom niet waarom een verplichte videoconsultatie ontoereikend zou zijn om de belangen van patiënten terecht te doen.
Vraag 7: De zin die duizendmaal heeft bewezen
Als u cliënten één zin meegaf die in het advies duizendmaal heeft bewezen, hoe luidt die?
Olivia: Cannabisrecht is een sterk politiek rechtsgebied. Wie in deze markt voet wil vatten, zich daar wil handhaven of zijn rechten effectief wil doorvoeren, moet deze politieke dimensie zonder fail in de strategie van zijn zaak betrekken.
Opmerking: Het interview is schriftelijk gevoerd. Antwoorden zijn voor leesbaarheid en spellingszekerheid licht geredigeerd zonder inhoudelijk veranderd te zijn. Een vraag over rechtspraktijk in sociale zekerheid bij cannabispatiënten heeft Olivia Ewenike niet beantwoord omdat deze buiten haar adviesdomain valt. Verder: kanzlei-ewenike.de.
Sinds de inwerkingtreding van de Wet Recreatieve Cannabis (KCanG) in april 2024 heeft Olivia Ewenike zich ontwikkeld tot een van de meest praktisch ervaren regelgevingsadvocaten in de Duitse sector voor recreatieve cannabis. Volgens haar eigen opgave heeft zij meer dan 100 Cannabis Social Clubs (CSCs) begeleid bij inschrijving en licentieaanvraag, en daarnaast meerdere telemedicijn-bedrijven ondersteund bij de opzet van hun bedrijfsmodellen en CBD-handelaren bijgestaan in straf- en onderzoeksverfahringen.
Twee jaar na de start van het KCanG-regime schetst zij een ontmoedigend beeld. Overheidsinstanties ontwikkelen hun eigen uitleglijnen, apothekersschappen grijpen via advertentierecht in op telemedicijn-structuren, en de werkelijke bottleneck voor teeltverenigingen ligt niet op het bouwadministratiebureau, maar bij de toestemmingsbeheerders, die volgens haar waarneming procedurevertragingen deels bewust inkalkuleren. In een schriftelijk interview met het Hanf Magazin gaat Ewenike in op juridische geschilpunten in 2026, noemt zij eerste rechtbankuitspraken met signaalwerking en formuleert zij haar prioriteit als zij zelf een regelgevingshendel kon bedienen.
De antwoorden zijn schriftelijk ontvangen en alleen minimaal geredigeerd voor leesbaarheid. Een vraag over rechtspraktijk bij socialezekerheid voor cannabispatiënten heeft Ewenike niet beantwoord, omdat dit buiten haar adviesdomain valt.
💬 In gesprek
Advocaat, Kanzlei Ewenike
Olivia Ewenike is een Duitse advocaat met specialisatie in cannabis- en nutshennepregulatoria. Sinds de inwerkingtreding van het KCanG in 2024 heeft zij meer dan 100 CSCs begeleid bij inschrijving en licentieaanvraag en adviseert zij prominente telemedicijn-bedrijven en CBD-handelaren. LL.M. op het gebied van compliance met specialisatie in cannabisregulering. Internationaal gezochte spreker (Cannabis Europa Londen, C-Days Barcelona, Asia International Hemp Expo Bangkok, Japan International Hemp Expo Tokio).
Vraag 1: CSC-oprichtingspraktijk 2026
U heeft meer dan 100 CSCs begeleid bij inschrijving en licentieaanvraag. Waar ligt het in de praktijk 2026 het meest vast? Bouwadministratie, federaal instituut, verenigingsrecht?
Olivia: De meest ernstige obstakels liggen in de praktijk nog steeds in de toestemmingsprocedure. Hoewel er regelmatig ook bouwrechtelijke conflictsituaties voorkomen, vooral wanneer de vereiste gebruiksvergunning voor de verenigingsruimten ontbreekt, wat enkele projecten aanzienlijk kan vertragen. Het werkelijke knelpunt is echter in de regel niet het bouwadministratiebureau en ook niet primair het verenigingsrecht, maar de bevoegde toestemmingsbeheerder.
In de praktijk blijkt dat daar voortdurend nieuwe voorwaarden of verdere documentatievereisten worden gesteld, die de toegang tot de teeltlicentie aanzienlijk bemoeilijken. Overheden stellen dit graag voor als gevolg van noodzakelijke administratieve controleintensiteit, maar deze vereisten volgen uit de wet in veel gevallen niet voort en in feite leiden ze regelmatig tot aanzienlijke verlenging en bemoeilijking van de procedures.
Veel clubs proberen deze procedures aanvankelijk zonder juridische begeleiding aan te gaan. Dit is begrijpelijk, maar in de praktijk blijkt het vaak een dure vergissing. Als aanvragen vanwege formele of inhoudelijke tekortkomingen aanvankelijk worden afgewezen, opnieuw moeten worden ingediend of overheden de procedure maanden laten aanslepen, ontstaan voor de oprichters in de regel aanzienlijke economische lasten. Terwijl de procedure stilstaat, lopen de kosten door, bijvoorbeeld voor de huur van de verenigingsruimten, terwijl de club niet operationeel kan werken.
Jammer genoeg mislukken in de praktijk veel CSCs juist door de veel te lange procedureduren en deels overdreven vereisten. Een situatie die van de zijde van sommige overheden naar mijn mening zeker bewust wordt ingecalculeerd.
Vraag 2: Grijze gebieden en rechterlijke uitspraken
Het KCanG is als overgangsregeling ontworpen. Welke juridische grijze gebieden worden in de komende 12 maanden een gerechtskwestie, welke uitspraken verwacht u als richtinggevend?
Olivia: In de sector recreatieve cannabis zullen rechtbanken in de komende twaalf maanden vooral die vragen moeten clarificeren die voortvloeien uit de spanningsverhouding tussen de liberaliseringswil van de wetgever en een duidelijk restrictieve overheidspraktijk. Dit omvat met name de geoorloofdheid van passende bestuursvergoeding, de grenzen van administratieve eisen met betrekking tot ledenvergaderingen van teeltverenigingen en de omvang van administratieve ingrepen in contractuele regelingen in het toestemmingsproces.
In het medische gebied zouden gerechtelijke geschillen zich in de toekomst sterker kunnen verleggen naar de beroepsbeoefenaren die samenwerken met telemedicijn-platforms, dus artsen en apothekers. Een eerste aanwijzing hiervoor is de uitspraak van het Landgericht Düsseldorf van 23.04.2026 (Az.: 37 O 55/25). De rechtbank heeft geoordeeld dat apotheken niet op vragenlijstenbasis voorgeschreven medicijnen van telemedicijn-platforms mogen leveren.
Daarnaast heeft de eisende apothekerskamer al aangekondigd dat zij zich in de toekomst ook op toezichtsmaatregelen wil richten. Dit zou alleen logisch zijn. Want de werkzaamste hefboom ligt niet noodzakelijk bij de platforms zelf, die het risico van een verbiedingsvordering vaak bereid zijn te nemen, maar bij de artsen en apothekers zonder wie deze modellen in de praktijk niet zouden functioneren. Een gebruikerservaring die gericht is op patiëntenbelang zou verwacht kunnen worden als beroepsbeoefenaren rekening moeten houden met toezichtsmaatregelen tot en met het gevaar voor het uitoefenen van hun eigen beroep. Procedures tegen beroepsbeoefenaren zouden daarom aanzienlijk effectiever kunnen zijn dan louter verbiedingsvorderingen tegen platformexploitanten.
Vraag 3: Apotheek vs. CSC vs. thuisverbouw
Apotheekmodel, CSC-model, thuisverbouw. Welk pad is 2026 vanuit juridisch oogpunt voor welk gebruik het schoonst?
Olivia: Het apotheekmodel is vanuit juridisch oogpunt het passende toegangspad voor patiënten. Via dit model kan therapeutische begeleiding en gezondheidsverantwoord gebruik gewaarborgd worden. Vooral nu de stigmatisering afneemt en de maatschappij steeds opener staat tegenover cannabis als geneesmiddel, is te verwachten dat het aantal mensen dat cannabis niet uit louter consumptievermaak, maar als echte patiënt in aanmerking neemt, zal stijgen.
Het CSC-model daarentegen is de juridisch voorziene weg voor consumenten in de recreatieve sector. Cannabis Social Clubs zijn juist gecreëerd om een legale, gecontroleerde en preventiegebonden toegang buiten de zwarte markt mogelijk te maken. Zij vallen onder bindende en strikt gecontroleerde vereisten, vooral op het gebied van jeugdbescherming en preventie. Als de wetgever het recreatieve gebruik uit de illegale markt wil halen, zijn functionerende Cannabis Social Clubs nodig. Zonder hen blijft de legale toegang voor consumenten structureel onvolledig. Bovendien zullen jeugdbeschermings- en preventiegevallen, die clubs moeten implementeren, alleen effectief zijn als consumenten ook in de recreatieve cannabismarkt worden opgenomen.
Thuisverbouw blijft ook in 2026 juridisch geoorloofd, maar zal naar mijn inschatting ook in de toekomst slechts een relatief klein aandeel vormen. Het is vooral een model voor liefhebbers van thuis verbouwen. Als landekkend of massaal geschikt toegangspad is thuisverbouw echter slechts beperkt geschikt. Het vereist tijd, kennis, ruimtelijke mogelijkheden en een zekere praktische affiniteit. Voor het gros van de consumenten zal het daarom geen gelijkwaardige plaats zijn als gestructureerde legale toegangskanalen.
Vraag 4: Advertentierecht en HWG-corridor
Advertentierecht voor cannabis is in Duitsland restrictief. Hoe navigeren bedrijven tussen voorlichting en HWG-verbod, welke inbreuken ziet u het meest?
Olivia: In het medische gebied proberen de meeste marktdeelnemers aanvankelijk inderdaad aan de bepalingen van de Geneesmiddelwet te voldoen. Er is echter waarneembaar dat de rechtspraak op dit terrein steeds restrictiever wordt.
In het geval van telemedicijn-bedrijven ontstaat de indruk dat rechtbanken via het advertentierecht, via de achterdeur, telemedicijn-platformmodellen voor cannabis verbieden. Dit is juridisch geen bijzonder nauwkeurig instrument. Want veel inbreuken op de Geneesmiddelwet vormen aanvankelijk slechts overtredigingen. Tegelijkertijd volstaat in de praktijk vaak al een relatief kleine taalkundige of vormgeving aanpassing in de externe presentatie om jarenlang opnieuw gerechtelijke geschillen te voeren voordat een betrouwbare uitspraak eruitkomt.
In de recreatieve cannabissector is de situatie aanzienlijk scherper. Want teeltverenigingen dreigt in geval van twijfel de intrekking van toestemming, soms al bij kleinere overtredingen. Het advertentieverbod wordt door overheden restrictief uitgelegd. In de praktijk ervaar ik telkens dat teeltverenigingen niet eens een social-media-aanwezigheid wordt toegestaan. Naar mijn mening gaat deze benadering aan het werkelijke regelgevingsdoel voorbij. Als de wetgever een op preventie gebaseerde cannabisbeleid serieus neemt, kan het niet gaan om cannabis communicatief volledig taboe te maken. Wat van belang zou zijn, is het normaliseren van verantwoord gebruik. Wie alle zakelijke zichtbaarheid afsluit, zorgt niet voor preventie, maar bemoeilijkt de toegang tot legale kanalen.
Vraag 5: Kennishiaten bij jonge cannabisadvocaten
U hebt in het verleden een Cannabis-Law-Academy geleid. Waar zijn de grootste kennishiaten bij jonge advocaten die vandaag cannabisrecht ingaan?
Olivia: Waar jonge advocaten de grootste kennishiaten hebben in cannabisrecht, is minder een kwestie van ontbrekende dogmatische basiskennis dan van ontbrekende praktische betrokkenheid. Want weinig stappen in met uitsluitende focus op cannabisrecht. En zoals in veel andere juridische terreinen geldt ook hier dat men basiskennis kan nalezen, maar in de cannabisindustrie heeft deze louter theoretische kennis bijzonder smalle grenzen.
Cannabisrecht is grotendeels nog jong en sterk gepräagd door administratieve en gerechtelijke praktijk. Veel cruciale vragen zijn nog niet definitief opgelost, maar bevinden zich midden in procedures of worden pas door de concrete administratieve uitvoering vormgegeven. Dienovereenkomstig is er tot nu toe slechts een relatief beperkt bestand aan gefundeerde literatuur en betrouwbare rechtspraak waaruit werkelijk draagkrachtige gespecialiseerde kennis puur academisch kon worden afgeleid.
Precies daarin verschilt cannabisrecht van klassieke materies die over decennia zijn gedifferentieerd. In het strafrecht kan men zich bijvoorbeeld vanwege de enorme dogmatische diepte en de uitgebouwde rechtspraaklijnen tot in afzonderlijke subcategorieën toe specialiseren. In het cannabisrecht ontstaat de cruciale kennis daarentegen veelal niet eerst achter het bureau, maar in de procedure zelf, dus in contact met overheden, in licentieprocessen, in bezwaar- en gerechtsvorderingen en in contractgestaltung.
Vraag 6: Een regelgevingshendel
Welke regelgevingsverandering zou u in 2026 prioriteren als u één zaak kon bepalen?
Olivia: In de recreatieve cannabismarkt zou ik aanvankelijk geen verdere wettelijke bijstellingen prioriteren, maar een systematische verandering van de overheidsbestuurspraktijk. Op deelstaatniveau is vooral meer juridisch gekwalificeerd personeel in de toestemmingsbeheerders nodig. Ik ben ervan overtuigd dat een aanzienlijk deel van de huidige procedurevertragingen en ook veel van de eisen die door overheden worden gesteld, zou vervallen als aanvragen vaker door juristen werden behandeld.
Want momenteel gaat het niet om de uitvoering van een sinds decennia gedifferentieerd juridisch terrein, maar om de toepassing en uitleg van een nieuwe wet. Daarvoor is juridische methodische competentie nodig. Zodra zich na enkele jaren een gefundeerde overheidsbestuurspraktijk heeft uitgekristalliseerd, mag het mogelijk zijn in grotere mate terug te grijpen op personeel zonder origineel juridische achtergrond. Op dit moment acht ik dat echter ondeugdelijk. Dat de uitleg van een nieuwe regelgeving deels naar het juridische begrip van niet-juristen geschiedt, vind ik vanuit rechtsstaatogie gezichtspunt schokkend.
In het medische gebied zou ik een verplichte videoconsultatie toejuichen. Een verplicht persoonlijk artsgesprek, zoals voorzien in het concept van een Eerste Wet ter wijziging van de Medische-Cannabiswet (BT-Drs. 21/3061), beschouw ik echter als een door symbolische politiek gemotiveerde voorwendsel, die de gezondheid van patiënten inhoudelijk niet werkelijk dient. Het voorschrijven van medische cannabis vereist in de regel geen lichamelijk onderzoek. En zelfs als het in individuele gevallen medisch geïndiceerd zou zijn, is dat een beslissing van de behandelende arts. Ik begrijp daarom niet waarom een verplichte videoconsultatie ontoereikend zou zijn om de belangen van patiënten terecht te doen.
Vraag 7: De zin die duizendmaal heeft bewezen
Als u cliënten één zin meegaf die in het advies duizendmaal heeft bewezen, hoe luidt die?
Olivia: Cannabisrecht is een sterk politiek rechtsgebied. Wie in deze markt voet wil vatten, zich daar wil handhaven of zijn rechten effectief wil doorvoeren, moet deze politieke dimensie zonder fail in de strategie van zijn zaak betrekken.
Hast du Erfahrung mit der Gründung oder Mitgliedschaft in einem CSC?
Opmerking: Het interview is schriftelijk gevoerd. Antwoorden zijn voor leesbaarheid en spellingszekerheid licht geredigeerd zonder inhoudelijk veranderd te zijn. Een vraag over rechtspraktijk in sociale zekerheid bij cannabispatiënten heeft Olivia Ewenike niet beantwoord omdat deze buiten haar adviesdomain valt. Verder: kanzlei-ewenike.de.











































